Browsing Tag

droomwoordenboek

Bloedzuiger-moord.

Woelend wrijf ik mijn been over mijn matras. Onder de deken, boven de deken. De ader aan de binnenkant van mijn linker voet blijft jeuken. Het jeukt zo erg dat ik door te krabben met mijn andere voet, het niet kan laten stoppen. Het voelt alsof mijn ader opgezwollen is. Of erger opengespat. Ik kan er maar beter vanaf blijven. Het hele bed zal wel onder het bloed zitten. Wat is er met me aan de hand? Uitgeput ga ik een beetje overeind zitten en krab ik met mijn hand. Aah dat lucht op. Eenmaal weer achterover, is de jeuk meteen terug. Mijn wekker gaat, ik sta op, ga douchen en fiets haastig naar mijn werk.

muggennnnnnEenmaal in mijn mantelpakje achter de klantenservice, denk ik aan mijn droom. Het bloed dat overal zat. Het slaperige gevoel van het bloedverlies, de ondragelijke jeuk. Wat een vreemde droom. Het dromenwoordenboek zei vanmorgen dat als je droomt over jeuk dat je dan te veel zorgen hebt. Zo aan het begin van de vakantie zit ik niet echt met veel zorgen.  Mijn zorgen zijn beperkt tot het uitkiezen van een reisje en het opzetten van mijn eigen webshop. Alleen maar leuk.. Ik kijk naar het plekje, onderaan mijn been, dat me vannacht terroriseerde en ja hoor… Een joekel van een muggenbult.  Verder lezen

Hate it or love it. Or both?

Hoewel we met z’n vieren uit waren, rennen we hier nog maar met z’n tweeën. Het is stil en verlaten. Je hoort ons hard hijgen. M’n vriendin schreeuwt naar me dat ik harder moet rennen, maar het lukt niet. Één van de andere twee meiden was eerder op de avond met haar vaste scharrel mee gegaan. Waar die ander naar toe is weet ik niet. Ik ben blij voor haar dat ze hier niet is.

We rennen door een woonwijk, we moeten land inwaards. ‘Fuck! Weer water.’ hoor ik haar schreeuwen. Dit is al de derde keer. We keren om. Er is nog maar één richting over. Die moet goed zijn. Dat weten we zeker. We geven alle kracht die we in ons lichaam hebben om zo snel mogelijk bij de zee vandaan te komen. M’n vriendin rent steeds harder. Had ik maar net als zij fanatiek aan basketbal gedaan de afgelopen jaren. Ze gaat sneller en sneller, tot ik haar niet meer zie. Mijn passen verslomen en al snel sta ik stil. Alles doet zeer. Ik leun op mijn knieën. Mijn adem stokt. De laatste die over is ben ik. Iedereen is dood.

Opeens staat hij daar. Op de hoek van de straat. Hij kijkt me recht aan door zijn onnozele bril en duwt hem nog een beetje omhoog. De harde wind blaast zijn haren in zijn gezicht. Ze zijn net te kort om zijn ogen te bedekken. Mijn adem komt weer op gang en mijn lichaam doet niet meer zeer. Hij geeft me een knuffel. Niet mijn vader, niet mijn vriendje, zelfs niet m’n te snel rennende vriendin, maar hij. Hij is de enige die samen met mij de apacalypse overleeft heeft. Moet ik hem ook dood maken omdat hij dit niet verdient? Of omdat ik niet met hem over wil blijven? Omdat ik met hem geen nieuwe wereldpopulatie op wil bouwen?

Verder lezen